Spero Etiam

Wilderer

Ik ga mee. Maar de hele lange weg naar het stadje staar ik voor me uit. Het lege dvd-scherm aan de stoelleuning voor me heeft een kras. Het gesprek gaat over geopereerde borsten, niemand merkt dat ik wegkijk. Firstlevelersgeklets! Als de auto stilstaat, blijf ik zitten. Ook als Tierelantijn me aanstoot. Het heeft stop gezegd in mij. “Ga maar zelf dan” zeg ik tegen de kras. “Ga maar allemaal apart.” Ze stappen uit, schelden wat. Terwijl Rudy74 de portieren op slot klikt, roept hij door het raampje: “Hoorde je wel wat dat wijf zei? Wilderer, dat betekent stropers.” Vlot benen ze weg naar de winkelstraat. Alsof er in dit armelijke stadje iets te winkelen zou zijn dat zij niet al hebben!

   Met tegenzin kijk ik het pleintje rond. Het stadje oogt even armoedig als alle andere: kapotgeschoten, nooit gerepareerde gebouwen, tweedehands geklede mensen die maar hangen op een plein. Kinderen met jaren '90-jassen maken zich los van een stel vuilnisbakken voor de kerk en komen langzaam op de auto af. Ik ben alleen! Dit zijn kids die anno 2020 niet op facebook zitten, die niet eens een BMW herkennen. Wat doen deze kinderen, waar leven ze van? “Zonder uitkering gaan ze vanzelf werk zoeken”, staat in Het Boek. Ik heb wel eens de vraag gesteld wat dan. Maar veel diepte krijg je niet op het net.

   Nu staan ze om de auto heen, tikken op de ruiten. Ik moet plassen. Zou er hier een betaaltoilet zijn? Bliksemsnel schuif ik naar de passagiersstoel en sta buiten met gesloten portieren voordat ze kunnen reageren. Jan-OJ's armeluizentruc, denk ik beschaamd. Terwijl ik naar de winkelstraat loop, drommen de kinderen om me heen, hun stemmen klinken opgewonden en bedelend. Niet antwoorden, ze praten niet eens Nederlands! Twee meisjes met mooie zwarte ogen komen naast me lopen, ze strelen over mijn wangen. Intuïtief hef ik mijn armen op. Wat willen ze? Ik moet die winkelstraat bereiken, ik versnel mijn pas. Iemand roept “Molländer”, ze joelen. Er staat een groep zwaar opgemaakte tienermeiden voor een kleurig verlicht gebouw. Ik vraag: “WC?” waarop ze grijnzend vragen: “Hier?”

   Ik kan niet snel genoeg omschakelen, als het meisje naast me haar panty omlaag trekt voor een man in whiskywalm, wil ik wegrennen. De hoertjes houden me tegen, betasten mijn broek. In een opwelling pak ik mijn mobiel en stuur een sos-sms. Stom! Ik besef het als ik op “send” druk. Ze rukken aan mijn arm, graaien naar het ding, maar zitten elkaar in de weg. Ik duik naar beneden en onder ze door en begin te rennen. Nooit rennen, stond op wikitravel, maar mijn benen rennen maar, zijstraat in, zijsteeg uit, waar kan ik heen? De kerk! Ik ren binnen, een paar oudjes kijken verstoord op. Ik loop zachtjes naar een donkere hoek, verstop me achter een pilaar. De deuren worden opengegooid, de jongeren roepen en rennen door het gebouw. Hoe lang kun je je adem inhouden? Ik zie mezelf staan, Nederlander en managerzoon. Er valt een druppel van een dakbalk op mijn hoofd. Voetstappen vlakbij, ze stoppen. Ben ik er bij? Dan schalt er een keiharde piep door de ruimte, mijn mobiel. Een paar koude ogen komt om de pilaar heen. Ik pak de mobiel uit mijn zak, mijn ooghoeken lezen “wij gaan nu”, ik wil het ding kapotsmijten. De jongen wringt hem los en verdwijnt. Ik kan gaan. Maar voor ik de kerk uit ben, hebben andere koude ogen me tegengehouden, betast, ontdaan van mijn jas, schoenen, horloge en reisportemonneetje (pasjes en zo liggen in het ressort). Ik geef alles. Ondergoed ook soms? Ze grijnzen.

   Van het plein klinkt rumoer, de BMW, middenin de kinderschare, geeft gas, de kinderen joelen. Ik draai me om.

 

Hun laatste woorden waren “wij gaan nu”. Friends waar ik dagelijks mee chatte! Gaan ze me nog zoeken? Of durven ze alleen te mailen? Ik heb geen idee, wie ken ik goed genoeg om te weten wat hij zou doen in gevaar?

   Als ik geld had, kon ik ergens inloggen. Iets schrijven op facebook. En dan? Komt een “wij gaan nu” dan hier?

   Ik kom de jongerenbende weer tegen en schiet een portiek in. Toch krijg ik een heleboel rake trappen en veel Molländer, Wilderer en Neolieb. Niets doet meer pijn.

   Ik zwerf. Langs de winkels, langs de huizen. Trek mijn zakken binnenstebuiten voor een hoertje. Kijk, ik ben niets!

   Er staat een deur open naar een ruim lokaal zonder etalage. Oude rommel, versleten kleding, een hoek met boeken. Derde- of vierdehands, vroegen we altijd aan straathandelaartjes. Ik glimlach onwillekeurig. Er is een soort loket met een vrouw van achterin de twintig, ze praat tegen een jongen in de zaak. Ik trek mijn gatenjeans uit en houd hem omhoog. Ze wijst geschokt naar buiten. Ik maak het geldgebaar, ze schudt haar hoofd. Herkent ze geen vintage? Voor de aanschafprijs zou ik de halve zaak kunnen kopen. Ik doe hem weer aan, zink neer en laat alle lucht ontsnappen. Ogen op niks, een roze vouwstoel. Vaal roze met rafels. Het beeld van mezelf. De winkeljongen klapt hem op.

   Ik hoor hem en de loketmeid praten over een boek. Hij wil het "ferbrennen", wat zou dat betekenen? Ik kan er niet veel van volgen, jammer dat wij nooit een taal hebben hoeven leren behalve internet-engels. Als de naam van onze goddank overleden leider valt, begint zij te hushen. Ze komt even later met een mok aanlopen, er zit iets warms in. Ik kijk op. Ik zie angst en bezorgdheid.

   “Doe Holländer?”

   Ik kijk haar zwijgend aan, wijs op mezelf en zeg: “Nix!” Ik ben niets, zie je dat niet?

   “Hier, trink!” zegt ze.

   Ik pak de mok aan en drink uit beleefdheid. Chocolademelk! Ze blijft me aankijken. “Kainer spioon” zegt ze glimlachend. “Froind?”

   Ik steek mijn hand uit.

   De jongen duwt me het boek in de handen, ik herken het uiteraard meteen, duw het van me af. “Mein Kampf” en “Het rode boekje” hebben minder gevolgen gehad.

   “Swainerai, was?” Ik knik. De vrouw praat verwijtend tegen hem. Hij loopt weg en komt terug met een jarenzeventigbloes, die hij om mijn schouders legt.

 

Als er geen klanten meer zijn, komen ze me hun taal leren, gaan voor me zitten en laten me woorden nazeggen. Hij wijst op mij, zegt “Doe nix”, wijst op zichzelf, “ieg nix”, wijst op haar, “zie nix”. Ze schateren het uit. Ik lach mee, het gaat vanzelf. Ze slaan me op de schouders. “Holländer, Molländer”, zeg ik op goed geluk. Ze kijken me intensief aan en zij zegt een heleboel met warme stem.

   “Kom”, zegt ze en neemt me mee door een deur. Achter de zaak is een keuken, eenvoudig, een grote tafel met stoelen, een aanrecht. Ze pakt een pan met soep van een fornuis. Er komen kinderen binnen, ze kijken eerst verlegen maar na uitleg van haar kant, zwaaien ze en roepen: “Hey, gringo!” We krijgen soep en brood, er wordt gegeten en gepraat. Een gezin om een keukentafel. Zoals in die film. Ik moet huilen, zomaar. Het komt en gaat niet weg. De vrouw legt een arm om me heen.