Spero Etiam

Mensen of handel? Over twee mooie meiden

Waarom ben ik zo'n idioot? Verliefd worden op een Dwarser, zo'n milieutype en nog pacifist ook! Hij zag er zo sterk uit in het filmhuis, toen hij Mimi redde door aan die glijer te vragen of hij wilde ophouden met aanranden. Dat type begon van kom jij eens mee naar buiten en toen zei hij ijskoud: “Nee, ik ben pacifist.” Geen vinger stak hij uit, maar Mimi kon haar jas pakken en de deur uit komen. En ik zakte door de grond toen ze terugkwam en vroeg: “Kom je niet?”.

     Nu wil hij dat ik meega naar een demonstratie, naïeveling! Ik kan toch niet, ik mag met pappa mee naar Molavië. In de volgende sms vroeg hij waar dat ligt. Hij weet niets van de wereld, die jongen! Eigenlijk moet ik het uitmaken.

     We zijn heel vroeg vertrokken, de zon kwam net op toen we de stad uitreden. Ik vraag of ik in bed mag liggen, we zijn namelijk met pappa's kampeervan. Maar volgens hem mag dat niet als je rijdt. Dus hang ik in de passagiersstoel en probeer te slapen.

     Ik droom van Jeroen als de piep van de sms gaat en ja, daar is ie weer. Net zo schattig als in mijn droom. Hij heeft het perfecte verjaarscadeau bedacht, maar dan moet ik wel naar hem toe komen zaterdag. Hij schrijft "kado" zoals de Hema, de stumper. We rijden op een autobahn met saaie velden er omheen, uit de radio komt onverstaanbaar gebabbel. Ik schrijf een lange sms om hem uit te leggen dat het afhangt van pappa's zaken omdat we al eindeloos onderweg zijn naar het oosten. Vervolgens verstuur ik hem niet. Jeroen begrijpt niets van zaken en handel, dat je je eigen boterham kunt maken. Hij is er zo een die buitenlanders helpt een uitkering aan te vragen.

     Ik ben dus met pappa op zakenreis! Mijn opleiding begint pas volgende week en het is toch miezerweer. Wat hij precies gaat halen, weet ik niet. “We zien het wel”, zegt hij met dat lachje. Als het pappa niet was, zou ik hem eng vinden, maar zo lacht hij altijd als hij zelfverzekerd is. Hij weet waar je geld mee kunt verdienen.

     We eten in een wegrestaurant ergens in Duitsland, Bratwurst mit Kartoffelbrei. De puree smaakt alsof hij van zaagsel is gemaakt. Ik vraag waar we zijn en pappa zegt geheimzinnig: “Halverwege!”

     “Waar ligt dat eigenlijk, dat Mol… eh…”

     “Oost-Europa”, zegt hij en stopt zijn mond vol Kartoffelbrei. Er spuiten warme straaltjes uit de worst als je er in prikt, een straaltje van pappa spuit dwars over de tafel op mijn hand.

     “Oeps!” lacht pappa overdreven. Ik kijk naar de vrouw die glazen staat te drogen.

     Ik vraag waar we gaan slapen. Hij wil doorrijden, want anders komen we er nooit. Kan ik dan op de achterbank liggen? Maar hij is bang dat er politiecontrole is.

     “Slaap maar in de van.”

     “Maar dat mocht toch niet?”

     “Ach!” Hij maakt een geringschattend gebaar. “We zijn nu in Oost-Europa!”

     Van alle kampeerauto's is dit absoluut het kleinste model. Als je binnenkomt, stoot je tegen het keukenblok en de tafel hangt zo over de bankjes dat je amper kan gaan zitten. Via de tafel klim ik naar het matras boven het autogedeelte. Het is afgescheiden van de rest door allemaal spullen: pappa's kostuums en de badmintonrackets, alsof we die zouden gebruiken daarginds! Het bed is zacht maar ik hoor de radio die pappa hard heeft gezet.

 

Eerst voel ik alleen de pijn. Het is of mijn hele lichaam alleen maar daar zit. Ik probeer wat anders te voelen. Dat het moet. Ik ben de oudste dochter, er was geen andere uitweg. En schaamte. Dat ik dacht dat ik wat was. Dat ik ooit dacht het songfestival te winnen en dat iedereen me dan mooi zou vinden. Ik ben lelijk.

 

Pappa heeft kleine pakjes bij zich met hopjes. Hij verkoopt ze onderweg en zo kunnen wij eten kopen en benzine. De mensen zijn gek op hopjes hier. De cabine ligt vol met lokaal fruit en gebakskruimels. De bierflesjes stinken, zeg ik, dus gooit pappa ze uit het raam.

     “Kijk je uit?” vraag ik.

     Jeroen sms't of hier wat moois te vinden is, “Mooi niet” schrijf ik terug. We rijden al een tijd op smalle wegen waar ik doodsangsten uitsta als we een vrachtwagen tegenkomen. We komen door dorpjes met grauwe en vervallen huizen. “Jij zou het mooi vinden”, schrijf ik, maar ik heb er meteen spijt van. Hij is niet slecht, hij is alleen maar links. Pappa vraagt met wie ik sms en ik antwoord dat het zijn type niet is. Hij vraagt hoe ik dat weet, ik antwoord dat Jeroen sociale studies doet en met mensen wil werken. Pappa zwijgt nors tot we een fabrieksterrein opdraaien. “Wie werkt er nou niet met mensen?” zegt hij en stapt uit.

     Alles is vies hier, een aantal loodsen heeft geen dak meer, een reclamebord is half omgevallen. Het is koud in de cabine, ik wil de verwarming aanzetten, maar dat kan niet zonder sleutel.

     Eindelijk komt pappa terug samen met een skinhead in een versleten regenjas, niet eens een das om! Ik geloof dat ze ruzie hebben. Pappa loopt naar achter. Ik hoor de deur van de van dichtklappen en even later overhandigt hij een paar bankbiljetten. De man protesteert en dan krijgt hij er nog een. Ineens duiken er twee vrouwen op, jong, maar overdreven geschminkt. Wat kunnen mensen anders zijn duizend kilometer verderop! Ze gaan ruziënd op de nauwe achterbank zitten en pappa kruipt achter het stuur.

     “Gaan zij mee?”

     “Een klein stukje maar!”

 

Alles is beter dan die oude geitenstal en ik krijg eten, een pan vol met Börek. Maar hij doet de deur op slot. Als die weer opengaat, komt er een westerling met een rare grijns. Hij wijst me het bed en fluistert in het Engels dat ik stil moet liggen. Ik begin me al uit te kleden, maar hij hangt kleren op voor het bed en verdwijnt. Even later voel ik dat we rijden. Ineens begrijp ik het. Ik zal ze nooit meer zien. Die honderd dollar is het enige dat ze ooit voor me krijgen.

 

Als ik vragen stel, krijg ik een bokkige snauw. Als ik zeg dat ik in de van ga slapen, wordt pappa woedend. Uit protest zeg ik niks meer. De twee vrouwen zitten te slapen. Ik ga sms'en al is het midden in de nacht. Jeroen antwoordt vrij snel, schrijft dat ik hem wekte. Ik vraag of hij van mij droomde. Hij antwoordt: “Mmm! Van jouw verjaardagscadeau!” Ik antwoord voor de grap dat je "datte" toch niet cadeau kunt doen. Het duurt even voordat hij terugschrijft. Pappa probeert mee te kijken, ik houd de telefoon zoveel naar rechts als ik kan. “Je wil toch niks anders?” Ik druk het meteen weg. Eikel! Wil ik wel zo'n vriendje?

     De douane wuift ons door. Het begint al te gloren als pappa van de snelweg afgaat. Hij blijft zwijgen. We komen in een stad en stoppen voor een gebouw met roze neonletters die knipperen. Hij bezweert mij om te blijven zitten en loopt met de twee vrouwen naar het gebouw, zijn hand in hun nek. Het is lawaaierig hier, discomuziek en dronken gebral. Pappa blijft lang weg. Ik moet plassen. Ik stap uit en wil aanbellen. Als ik voor de deur sta, durf ik niet. Er hangen foto's van naakte vrouwen in ronduit vieze poses. Had ik dat niet moeten verwachten? Maar het is pappa! Ik voel dat ik in mijn broek plas en schaam me. Ik ren naar de van, waarom is die dicht? Ik vis het reservesleuteltje van onder de stoel en weet net op tijd een pan te pakken om in te plassen. Zoals vroeger op de camping. Hoor ik iets? Voor het bedgedeelte hangen nog meer kleren dan anders, van die lelijke Oost-Europese bloezen. Is dat pappa's handel? Het stinkt naar kool. Ik hoor een snik door de discodreun heen, of ben ik dat zelf? Ineens vind ik alles zo vies hier. Ik gooi de pan leeg op straat en haast me terug naar mijn stoel. Als pappa komt zegt hij niks. Hij lijkt doodmoe en super speedy. Hij rijdt en rijdt maar tot hij stopt omdat hij zelf moet plassen. Hij doet er lang over.

 

Ik zie niks door het kleine vieze ruitje. Als we stilstaan en hij terugkomt, begrijp ik wat er komen gaat. Ik probeer aan niks te denken. Ik vraag waar we heengaan, aan wie hij me denkt te verkopen. Hij bindt mijn arm vast. Dan doet hij wat hij wil, snel en zwijgend. Ineens is hij klaar en verdwenen. Ik kan niet loskomen. Ik had meteen moeten proberen te vluchten.

 

We rijden naar het westen en we praten niet. Pappa heeft de radio hard aan en zingt mee, vals. Jeroen sms't of ik beledigd ben. Dit is het moment om het uit te maken. Maar wat zal ik schrijven? Het piept alweer: “Ik wacht op je, zaterdag”. Ik word volwassen en ik weet niet wat ik wil! Vanavond dan? Maar als ik hem zie ga ik huilen, ga ik hem zoenen, dan geef ik hem zijn zin, ik kan beter sms'en.

     Het is al donker als we bij een wegrestaurant stoppen. Ik zie een heleboel Nederlandse auto's.

     “Bratwurst maar weer? Je moet wat eten!”

     “Nee!” De vrouw achter de balie kijkt me verbaasd aan. “Habst du … Salat?”

     Ik ga aan een ander tafeltje zitten en kijk niet naar hem.

     “Vegetariër geworden?” Hij eet zwijgend. Daarna zegt hij: “Sorry, hoor, het was vast niet zo leuk als je had gedacht.”

     Dan kan ik mijn mond niet houden: “Je bent er niet eens geweest, in dat Molavië. En wat voor handel had je nou meegenomen? Die stomme bloesjes soms?”

     “Die bloezen zijn maar een dekmantel, daar word je niet rijk van.”

     “Wat is het dan? Drugs?”

     Hij lacht weer zijn enge lachje en laat een duizend eurobiljet zien. Hij kreeg natuurlijk geld voor die vrouwen. Maar ze gingen toch vrijwillig mee? Duizend euro voor een lift?

     “Ik wil weten wat het is!" gil ik als we buiten komen.

     Hij heft zijn hand dreigend op. “Niks mee te maken, het is mijn handel.”

     “Maar als de hele van vol ligt met heroïne en de politie komt…”

     Dan slaat hij mij. Duwt een hand op mijn mond en drukt me de auto in. Rijdt weg met een idiote snelheid en de radio op max. Dat lachje blijft maar op zijn gezicht, zelfs als mijn maag zich omkeert en ik op mijn schoot kots.

 

Ik word wakker als we snelheid minderen, we zijn bijna thuis. Jeroen heeft gedaan wat hij beloofd heeft, hij staat klaar op de stoep. Ik ben zo blij dat hij er is. Voor de auto stilstaat, spring ik eruit en ik druk me in zijn armen. “Gefeliciteerd”, fluistert hij in mijn haar. Pappa loopt zonder iets te zeggen naar de van. Het moet midden in de nacht zijn, want het huis is donker, mamma slaapt zeker. Even later hoor ik de voordeur dichtslaan.

     Jeroen pakt voorzichtig mijn gezicht tussen zijn handen en zoent me. “Moet je ook naar bed?” Hij kijkt zo lief. Ineens begin ik te huilen, druk me tegen hem aan. Al dat vieze, Oost-Europese, ik wil het weg hebben, weghuilen. Hij fluistert van: zachtjes nou. Langzamerhand kalmeer ik.

     “Kom”, fluister ik. “In de van!”

     We doen hem van binnen op slot en steken een kaars aan. Hij kijkt zo verliefd. Hij zoent zo zacht. Langzaam glijdt zijn hand onder mijn kleren. Dan leun ik op het tafeltje en trek hem op me.

     Hij zegt: “Er is toch een bed?” Hij kijkt naar de lelijke bloesjes.

     “Daar heeft pappa zijn handel.” Ik durf niet drugs te zeggen. “Kom!” zeg ik.

     Maar Jeroen trekt gewoon de kostuums en badmintonrackets naar beneden. Ik klim al omhoog. Dan zie ik haar, een meid van mijn leeftijd. Naakt. Ze huilt.