Spero Etiam

Teksten

Van alles wat ik geschreven heb, presenteer ik hier wat voorproefjes die ik om de zoveel tijd verwissel. Vanwege de beperkte ruimte vooral liedjes en kortere verhalen.

Hier een fragment uit de roman “Red de wereld – de wedstrijd”:

Melinda loopt eindelijk weer eens op tijd naar de uni, met een stevig ontbijt in haar maag. Iets teveel misschien. Ze probeert rond te kijken alsof ze van een andere wereld komt, is dit eigenlijk een omgeving om in te leven, een stad om trots op te zijn? De uitlaatgassen stinken erger dan anders. Twee fietsers zwiepen vlak voor haar neus de stoep op. Aan de overkant wordt een meisje van achteren vastgepakt, ze schopt en rukt zich los. Een eind verderop grijpt een jongen met lang haar een damestasje van een bejaarde arm. Melinda vraagt zich af ze of nu iets zou moeten doen en voor welke van beiden dan eerst, wanneer er iemand tegen haar aan knalt, de doordringende dreun uit zijn mp3 klinkt als een machinegeweer. Ze scheldt hem uit, maar hij reageert niet. Misschien maar beter ook, het is een stevige jongen. Ze kijkt omhoog. De zon schijnt, het is nog niet warm, maar wel veel lichter dan gisteren.

     “Dat ik het moet gaan doen”, herinnert ze zich haar gedachte van die ochtend. Hoe komt ze aan die arrogantie?

     Ze loopt het parkachtige universiteitsterrein op. Het is druk, hordes eerstejaars lopen te zoeken naar hun collegezaal. Tegen de gevel van gebouw A staan hoge bouwstellingen, ze zijn weer eens bezig met onderhoud. Ze hoort een bestelwagen van achter komen, hij passeert haar op twee centimeter. “De schoonste universiteit van het land” staat er op de zijkant. Verderop komt een ander wagentje van de schoonste universiteit aanrijden. Waar ze elkaar zullen ontmoeten loopt een schare jonge studenten keurig op het pad. Melinda is benieuwd welke van de voertuigen zal stoppen. Geen van beide. Ze ziet niet wat er precies gebeurt, maar er klinkt een klap, gegil en gevloek, de bestelwagen rijdt snel achteruit, de bestuurder komt eruit en krijgt onmiddellijk klappen van een stel studenten. Melinda loopt instinctief het andere pad op naar complex B, er zijn genoeg mensen bij, ze zou alleen maar in de weg lopen. Hoort ze nu weer een auto? Ze kijkt naar het kluwen mensen, liggen daar gewonden tussen? Hetzelfde gevoel als vanmorgen bevangt haar weer, alsof ze wakker geworden is in China. Een donkere BMW komt vanaf complex C met flinke snelheid, gaat die er ook bovenop knallen? Op het laatste moment remt de BMW, draait om de menigte heen zodat hij over het gras tussen twee bomen door op Melinda afstuift. Instinctief zoeken haar ogen een vluchtweg, maar haar woede neemt het over. In Peking bleef er ooit iemand voor een tank staan, moet zij aan de kant gaan voor een zwartglimmende BMW? Ze heft haar rechterhand omhoog, gierende remgeluiden klinken vlak voor haar voeten.

      “Al die bordjes met een rode rand en een auto erin, zijn die vannacht allemaal weggehaald?” vraagt ze zich hardop af. De bestuurder zoeft zijn raampje naar beneden, het blijkt de rector magnificus zelf te zijn, een kleine man met een donkere bril en groeiende inhammen in zijn haardos.

      “Ga aan de kant!”

      “Als bestuurder zou u toch moeten weten dat goed voorbeeld doet volgen.”

      “Ik heb jou zo uit het archief geplukt, jij kunt morgen geschorst zijn. Kost je tien, twintig studiepunten.”

     Hij laat de motor grommen, waardoor ze onwillekeurig een stap achteruit doet. Een ambulance rijdt met keiharde sirene het terrein op en stopt verderop naast de menigte. Dan staat er ineens een donker gekleurde jonge vrouw in een vieze blauwe schoonmaakstersoverall naast de auto. Ze neemt een paar foto’s met haar mobieltje en legt haar linker hand op het raampje net wanneer hij dat wil dichtdoen. En waarachtig, hij laat het raampje naar boven zoeven, maar ze haalt haar hand niet weg, waardoor hij het maar weer naar beneden laat komen – het rijdt niet prettig met een allochtone schoonmaakster in je deur.

      “Weg! Ik heb haast”, roept de rector magnificus.

      “Er geldt hier een rijverbod”, zegt de jonge vrouw en dan nadrukkelijk: “U hier niet rijden mag!” Hij kijkt haar woedend aan. Ze maakt nog een foto van dichtbij en kijkt de auto rond.

      “Jongedame”, begint hij, maar zij onderbreekt hem:

 

      “Iets groots te vervoeren, man? Behalve die twee kandelaartjes?” Hij wordt rood. “Ik zal aangifte doen bij de politie”, zegt ze, ze laat het raam los en draait zich resoluut om. De BMW schiet hikkend weg in een wolk van uitlaatgassen.